Een schat in een vat
Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God en niet uit ons.
2 Korinthe 4:7
De apostel Paulus typeert de boodschap die hij mag uitdragen als een schat. Een onwaardeerbaar grote schat. Zichzelf, als ambtsdrager, ziet hij als een aarden vat. U zult weten wat u zich bij een aarden vat moet denken. In het oude Oosten bewaarde men daar zijn voedsel en zijn drinken in. Maar ook zijn geldschatten en zijn kostbare sieraden. Dergelijke aarden kruiken werden doorgaans ingegraven in de grond. Op een verborgen plaats. Alleen daarom al had het geen zin een kruik te kiezen, die aan de buitenkant van de nodige beschildering of versiering was voorzien. Gewoon een gebakken kruik, zonder opsmuk. Kwam er een moment om aan iemand je rijkdommen te laten zien, dan groef je de kruik op en nam je het deksel ervan af en de schatten werden zichtbaar.
Een heel gewone kruik. Dat had ook nog een andere reden. Wanneer je iemand anders je schatten liet bewonderen, dan moest iemand door de fraaie vormgeving en de mooie beschildering van die kruik niet worden afgeleid van dat wat werkelijk waardevol was.
Van Paulus gold het en van elke ambtsdrager geldt het. In verleden, heden en toekomst. Ambtsdragers zijn niet meer dan aarden vaten. Gaan we na wat Paulus zegt over zijn eigen roeping, dan kan hij niet nalaten om te belijden dat die alleen maar teruggaat op Gods barmhartigheid aan hem geschied. Zo zal het, als het goed is, steeds zijn voor iemand die verwaardigd wordt een ambt te dragen. Zij hebben ervan doordrongen te zijn, vóór en ná, dat zij het niet waardig zijn. Dat zij er niet geschikt voor zijn. Het mag voor een mensenkind een wonder heten, wanneer God hem Zijn genade heeft toegedacht en aangeboden. Zijn genade voor gevallen mensen, verworven door Christus. Toegeëigend door de Geest van Christus en het Woord van Christus. Het mag een wonder heten, wanneer de Heere hem daarna en daarnaast ook roept tot een van de ambten in de kerk. Om Hem dienstbaar te zijn. En daarmee gemeente en kerk.
Een aarden vat. Meer is het nooit. Niets sierlijks aan. Niets waarmee hij zich aangenaam zou kunnen maken bij God. En … broos, breekbaar! Zijn gezondheid kan zodanig geknakt worden, dat hij zijn ambtswerk moet neerleggen. De HEERE kan hem uit het leven wegnemen. Van het ene op het andere moment. En dan staat hij voor Gods rechterstoel. En wordt hij geoordeeld, naar wat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. In het allerergste geval heeft hij gedaan alsof. Hier. In het allerergste geval wordt hij na dit leven verbrijzeld tot pottenbakkersscherven in het eeuwig gericht van God. In plaats van als goede en getrouwe dienstknecht te worden binnengeleid in de eeuwige vreugde bij God. We weten allemaal: dan helpt een ambtsgewaad niet. Dan helpt daad en praat niet. Dan zijn ambtsdragers holle vaten. Die klinken wel, maar ze bevatten niets.
Een aarden vat. Ik denk dat de conclusie uit deze beeldspraak, door Paulus gebruikt, moet zijn: Die ambtsdrager is getrouw, die niet méér wil zijn dan een onooglijke kruik. Die ambtsdrager is getrouw, die zo sober en eenvoudig zijn weg gaat, dat niets van zijn ambtelijke bezigheden de aandacht afleidt van de schat. Van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus. Van de kostbare boodschap van God.
Er zijn genoeg mensen om ons heen, die graag een ambtsdrager zien, die meer wil zijn dan een aarden vat. Er zijn er genoeg die het bepaald niet onwenselijk achten, wanneer er de nodige versiering, de nodige kleur en smaak aan een ambtsdrager te ontdekken valt. Te bewonderen valt. Er zijn er die zich aan de bijzonderheden van een ambtsdrager graag vergapen. Die zich daarmee tevreden houden. Die om niets meer en om niets anders verlegen zijn. Het is niet ondenkbaar dat kerkenraden hun oren daarnaar laten hangen, wanneer er sprake is van beroepingswerk.
Alle ambtsdragers, ouderlingen, diakenen, predikanten, kennen in meerdere of mindere mate de verzoeking om meer te willen zijn dan een aarden vat. Wat moesten we God de HEERE bidden, dat Hij elke ambtsdrager in gemeente en kerk afleert, afleert, afleert, wat de verbreiding van Gods eer in de weg staat. Wat voor arme zondaren de kennis aan Christus in de weg staat. Wat de Geest bij Zijn woordelijk werk in de weg staat.
Ambtswerk is dienstwerk. Daar worden ambtsdragers klein onder, ziende op Hem Die hen roept, op Hem Die hen verwaardigt, op Hem Die hen bekwaamt. Een aarden vat, dat delen mag in de schat. Een aarden vat, dienstbaar gemaakt, gaande meer, om de schat van genade in Christus te tonen aan een ieder, in al haar glans en rijkdom.
Woudenberg, ds. C.J.P. van der Bas
(bron: hersteldhervormdekerk.nl)